Fedustria brengt 200 jongeren samen voor STEM-evenement Twiinz.world

Fedustria organiseert op 25 mei 2026 de tweede editie van Twiinz.world, een STEM-evenement voor jongeren tussen tien en twaalf jaar. Het initiatief wil de dalende interesse in STEM-richtingen in Vlaanderen een halt toeroepen.

De meest recente STEM-monitor voor Vlaanderen toont een zorgwekkende trend: het aandeel STEM-leerlingen in het secundair onderwijs daalt opnieuw, van 37,5 procent naar 36,44 procent. Fedustria, de Belgische federatie van de textiel-, hout- en meubelindustrie, reageert daarop met een eigen aanpak.

Van virtuele droomwereld naar fysiek ontwerp

Twiinz.world is een 3D STEM-tool waarmee jongeren een virtuele droomwereld ontwerpen met Belgische meubels, houtproducten en textielmaterialen. Sinds de lancering in april 2024 vonden al ongeveer 250 workshops plaats, waarbij 4.000 jongeren de tool gebruikten.

Het evenement op 25 mei vindt plaats op domein Puyenbroeck, aansluitend bij het Nerdland Festival. In totaal nemen 200 leerlingen deel. Zij brengen hun eerder digitaal ontworpen droomklas of droomslaapkamer tot leven met miniatuurmeubels, stalen van Belgische stoffen en andere materialen. Een vakjury van sectorvertegenwoordigers beoordeelt de projecten op creativiteit, materiaalgebruik en afwerking.

Trofeeën en toekomstperspectief

De organisatie reikt twee trofeeën uit: één voor de beste droomklas en één voor de beste droomslaapkamer. De awards komen uit handen van twinfluencer Esther, bekend als ZicZacKitty, en Karla Basselier, CEO van Fedustria.

Basselier benadrukt dat de instroom van jongeren cruciaal blijft voor de sector. Met Twiinz.world wil Fedustria jongeren op een creatieve manier vertrouwd maken met technologie en design, zodat ze later ook hout-, meubel- en textielopleidingen overwegen. Het initiatief slaat zo een brug tussen de leefwereld van jongeren en de Belgische maakindustrie.

lees ook

Vlaanderen scherpt digitale competenties in onderwijsdoelen aan

Scivil zoekt leerkrachten voor AI-taalproject Maarallee in de klas

Scivil lanceert een lesbundel over sociolinguïstiek en AI voor leerlingen vanaf zestien jaar en zoekt leerkrachten Nederlands uit de derde graad om die in de praktijk te testen. Via de Maarallee-app dragen leerlingen rechtstreeks bij aan de ontwikkeling van AI die Vlaamse taalvariatie begrijpt.

De lesbundel brengt twee thema’s samen die zelden in één lessenpakket aan bod komen: hoe taal verschilt tussen sociale groepen, en hoe AI daarmee omgaat. Leerlingen verkennen hoe taal wordt verworven, zowel door mensen als door machines, en ontdekken waarom taaldiversiteit een rol speelt in de ontwikkeling van spraaktechnologie.

Leerlingen als bijdragers aan citizen science

Concreet spreken leerlingen zinnen in via de Maarallee-app en analyseren ze taalvariatie. Die opnames voeden een citizen science-project dat als doel heeft AI te trainen op authentiek Vlaams taalgebruik. Leerlingen ervaren zo dat hun eigen stem een directe impact kan hebben op technologie in ontwikkeling.

Het project richt zich op leerkrachten die nieuwsgierig zijn naar het snijpunt tussen taal, technologie en maatschappij, en die bereid zijn vernieuwende lespraktijken uit te proberen. Scivil omschrijft het als een kans om leerlingen actief te laten deelnemen aan een echt lopend onderzoeksproject.

Deelname en planning

Leerkrachten die willen meewerken, kunnen de bundel testen, inzetten of mee verder vormgeven. Scivil plant testmomenten in april, mei, juni, september en oktober. Geïnteresseerden kunnen contact opnemen via het team van Maarallee voor meer informatie over deelname.

Onderwijs en AI-ontwikkeling verbinden

Het initiatief toont hoe onderwijs en technologisch onderzoek elkaar kunnen versterken. Door leerlingen te betrekken bij de training van AI-systemen, brengt Scivil de abstracte wereld van machine learning dichter bij de klas. Voor leerkrachten biedt het een concrete manier om AI niet alleen als onderwerp te bespreken, maar ook tastbaar te maken.

Helft Vlaamse scholieren gebruikt AI wekelijks voor school, maar regels ontbreken

De helft van de Vlaamse middelbare scholieren gebruikt meerdere keren per week AI voor schoolwerk, blijkt uit de Grote Scholierenbevraging van 2026. Scholieren vragen zelf om duidelijke afspraken, terwijl een UGent-professor het debat op scherp zet door AI expliciet toe te laten op zijn examens.

De Vlaamse Scholierenkoepel publiceerde de eerste resultaten van zijn jaarlijkse bevraging. Dertig procent van de middelbare scholieren gebruikt AI-tools meerdere keren per week, twintig procent zelfs dagelijks. In de tweede en derde graad loopt dat gebruik op tot respectievelijk 55 en 60 procent. Slechts zeven procent gebruikt helemaal geen AI voor schoolopdrachten.

Weinig controle, versnipperde regels

De meeste scholieren, 72 procent, gebruiken AI om uitleg te vragen over leerstof. Veertien procent besteedt schoolwerk volledig uit aan AI. Zorgwekkend is dat 35 procent AI-informatie zelden of nooit controleert. Scholierenkoepel-vertegenwoordiger Lieselore Wouters pleit voor meer lestijd rond correct AI-gebruik, ook omdat 42 procent zich zorgen maakt over hoe medestudenten de technologie inzetten.

Het AI-beleid op scholen is bovendien versnipperd: 62 procent van de scholieren geeft aan dat regels rond AI verschillen per leerkracht. Wouters vraagt een duidelijk kader, opgesteld in overleg met scholieren. “Verantwoord AI-gebruik leert studenten de nodige vaardigheden voor de werkvloer van morgen”, klinkt het.

UGent-professor laat AI toe op examen

Ruben Verborgh, professor Web Development aan de UGent, kiest voor een andere aanpak: hij laat studenten tijdens het examen alles gebruiken, inclusief AI. Toch slaagden modellen als Claude, Gemini en ChatGPT niet verder dan vier op twintig op zijn proefexamen. Verborgh wil aantonen dat diepgaand begrip niet vervangbaar is door AI.

De professor waarschuwt dat het onderwijs tevergeefs tegen AI vecht. Op 7 mei kunnen ook niet-studenten deelnemen aan zijn examen, tijdens het event Connect IT in Antwerp Expo.

Conclusie

Zowel scholieren als onderwijsprofessionals beseffen dat AI niet meer weg te denken is uit het onderwijs. De vraag is niet langer of AI gebruikt mag worden, maar hoe scholen en universiteiten daar een coherent beleid rond bouwen dat studenten voorbereidt op de arbeidsmarkt.

GRITT wil chatbot en AI-studiepartner in één abonnement combineren

GRITT is gelanceerd als chatbot die zich nadrukkelijk richt op studeren, bijles en persoonlijke documentatie. Het platform koppelt een gesprekspartner aan functies voor studiemateriaal, gedeelde samenvattingen en een grotendeels Europese infrastructuur, met abonnementen vanaf één euro per maand plus verbruik.

GRITT positioneert zich niet als gewone AI-chatbot, maar als studiepartner die mee door cursusmateriaal gaat en zich aanpast aan kennisniveau, interesses en leerstijl. Volgens de productbeschrijving kan de dienst studieteksten, handleidingen, notities en huiswerk verwerken om daarna uitleg te geven, oefeningen te bedenken en gebruikers uit te dagen.

Het nieuwsfeit is dus dat GRITT nu beschikbaar is en daarbij meteen verschillende gebruiksscenario’s samenbrengt. Naast studiehulp mikt het platform ook op persoonlijke documentatie via een aparte functie, terwijl het prijsmodel zowel occasioneel als intensief gebruik moet opvangen.

Focus op studeren en gesprek

De kern van GRITT ligt bij studeerondersteuning. Het platform spreekt over een AI-variant van bijles, huiswerkbegeleiding en tentamentraining, waarbij de chatbot niet alleen antwoorden geeft, maar ook een gesprek opbouwt rond de leerstof. Dat gesprek moet volgens de makers helpen om informatie beter te onthouden.

Daarbij verwijst GRITT ook naar humor, kritische interactie en een minder formele stijl dan een studieboek. In combinatie met FUGA moet het systeem afgestemd zijn op de gebruiker, met ruimte voor niveautests, herhaling, extra uitleg en oefeningen. Het platform zegt ook studietechnieken, pedagogische stijlen en didactische vaardigheden toe te voegen.

Prijsmodel, documenten en privacy

GRITT werkt met drie formules. Flex kost één euro per maand, aangevuld met automatisch top-up-verbruik: tien euro levert 100 credits op. Basic kost vijftien euro per maand en is bedoeld voor dagelijkse studiegesprekken, terwijl Premium vijftig euro per maand kost voor intensiever gebruik met meer ruimte voor uploads en langdurig werken.

Naast studeren introduceert GRITT ook Personal Dox, een systeem voor persoonlijke documenten zoals recepten, reisplannen, dagboeken en notities. Via Ghostlink kunnen gebruikers de invloed van die documenten delen zonder de bestanden zelf zichtbaar te maken. Volgens de beschrijving ontstaat zo een vorm van sociale connectiviteit met extra privacy-instellingen per document.

The Rent Company België wordt Easy4u voor digitaal onderwijs

The Rent Company België verandert van naam en gaat voortaan verder als Easy4u. Volgens het bedrijf past die naam beter bij wat het al jaren doet: scholen, leerlingen en ouders ontzorgen rond laptops, beheer en toegang tot digitaal onderwijs.

De naamswijziging komt niet uit de lucht vallen. In de visie van het bedrijf is een laptop maar één schakel in een veel grotere keten, waarin ook wifi, ondersteuning, financiering en onderhoud een rol spelen.

Daarachter zit een bredere verschuiving in het onderwijs. Leerlingen groeien op in een digitale wereld, terwijl leerkrachten hun rol meer als coach dan als pure kennisbron invullen. Technologie moet dat proces ondersteunen, niet bemoeilijken.

Van laptopverhuur naar toegang tot onderwijs

Niel Van Meeuwen, verantwoordelijk voor The Rent Company België, zegt dat het bedrijf geen laptops verkoopt, maar toegang tot digitaal onderwijs. De laptop is daarbij een middel, net als een stabiele verbinding, training voor leerkrachten en een vervangtoestel wanneer iets stukgaat.

Easy4u wil die randvoorwaarden centraal beheren, zodat scholen zich kunnen focussen op hun pedagogische opdracht. Het bedrijf levert toestellen, haalt defecte exemplaren op en biedt gespreide betalingen aan ouders aan. Tegen 1 september moeten de toestellen in Vlaanderen en Wallonië uitgeleverd zijn.

AI verhoogt de druk op scholen

Volgens Van Meeuwen maakt AI die ondersteuning nog belangrijker. Een kapotte laptop is in een klaslokaal waar AI-tools dagelijks worden ingezet geen klein ongemak meer, maar een onderwijsprobleem. Ook de hardware zelf krijgt meer eisen opgelegd, omdat AI extra rekenkracht vraagt.

Patrick De Smedt, voorzitter van het bedrijf en oud-medewerker van Microsoft, ziet daarin opnieuw een technologische verschuiving. Hij zegt dat leerlingen en leerkrachten zich op hun kernactiviteit moeten blijven richten, terwijl de technologie errond beheerd en onder controle blijft. Easy4u speelt daar volgens hem een operationele rol in.

Inclusie als basisrecht

Van Meeuwen koppelt digitaal onderwijs expliciet aan het recht op onderwijs. Omdat onderwijs steeds digitaler wordt, moet toegang tot digitale middelen volgens hem ook breed beschikbaar zijn. Voor gezinnen die de maandelijkse kost moeilijk dragen, zoekt het bedrijf oplossingen.

lees ook

AI-studiedag voor leerkrachten: digitale geletterdheid in de praktijk

Adobe lanceert gratis AI-studietool Student Spaces in Acrobat

Adobe breidt Acrobat uit met Student Spaces, een gratis AI-tool voor studenten. De tool moet van PDF’s, links en notities snel flashcards, quizzen, presentaties en andere studiematerialen maken.

Adobe richt zich met deze lancering nadrukkelijk op studenten, terwijl Acrobat tot nu toe vooral draaide rond functies voor professionals. Met Student Spaces probeert het bedrijf een plek te claimen naast bestaande studietools van onder meer Google, Goodnotes en Turbo AI.

De nieuwe functie staat los van de klassieke Acrobat-omgeving en is gratis te gebruiken zonder in te loggen. Adobe hoopt zo studenten sneller aan te spreken die al in Acrobat documenten lezen en er meteen studiemateriaal uit willen halen.

Wat Student Spaces kan doen

Student Spaces laat gebruikers verschillende soorten bestanden uploaden, zoals PDF’s, Docs, PowerPoint, Excel, URL’s, handgeschreven notities en transcriptbestanden. Daarna kan de tool daaruit flashcards, mindmaps, quizzen, podcasts en bewerkbare presentaties genereren via Adobe Express.

Daarnaast kan de tool ook studiegidsen en kaarten maken om een leertraject in kaart te brengen. Adobe voegde vorige maand al een functie toe om tweepersonen-AI-podcasts te maken op basis van documenten in Acrobat, en die mogelijkheid komt nu ook naar Student Spaces.

Concurrentie met andere studietools

Met Student Spaces gaat Adobe de concurrentie aan met tools zoals Google NotebookLM, Goodnotes en Turbo AI. Die laten studenten ook documenten opladen om er studiemateriaal uit af te leiden.

Om sneller tractie te krijgen, maakt Adobe de tool gratis en toegankelijk via een aparte webomgeving. Studenten kunnen meteen starten, zonder eerst een account aan te maken of bestanden tussen verschillende apps te moeten verplaatsen.

AI-assistent en test met studenten

Student Spaces bevat ook een chatoptie waarmee studenten vragen kunnen stellen aan een AI-assistent. Adobe zegt dat die assistent zijn antwoorden baseert op de geüploade documenten om fouten te beperken.

Het bedrijf testte de tool met 500 studenten en met studentengroepen van universiteiten zoals Harvard, Berkeley en Brown. Volgens Charlie Miller, vicepresident Education bij Adobe, wil het bedrijf een centrale plek bieden waar studenten documenten kunnen lezen én studiemateriaal kunnen maken.

Demir wil schermgebruik van leerlingen op schoollaptops in kaart brengen

Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir wil proefprojecten opstarten om het digitale gedrag van leerlingen beter te begrijpen. Ondanks het smartphoneverbod verschuift de schermtijd volgens onderzoek van de smartphone naar de schoollaptop.

Demir koppelt het plan aan de vraag hoe jongeren echt omgaan met digitale prikkels tijdens de schooldag. Volgens professor Lieven De Marez van Imec weten scholen vandaag te weinig over wat leerlingen precies doen op hun laptop.

Het smartphoneverbod zorgt wel voor meer rust in de klas, maar het lost het bredere schermgebruik niet op. Daarom wil de Vlaamse regering nu ook kijken naar laptopgebruik in scholen, zonder de privacy van leerlingen te schenden.

Schermtijd verschuift naar de laptop

Vanaf dit schooljaar geldt in Vlaanderen een absoluut smartphoneverbod in het basisonderwijs en in de eerste en tweede graad van het middelbaar onderwijs. Toch daalde de schermtijd van jongeren niet, zegt De Marez. Volgens hem verschuift het gebruik gewoon van de smartphone naar de schoollaptops, ook tijdens de lesuren.

Leerlingen gebruiken op hun laptop vaak webversies van apps zoals Snapchat en WhatsApp. Wat daar precies gebeurt, blijft onduidelijk. De Marez noemt schoollaptops daarom een zwarte doos: scholen varen volgens hem blind zolang ze geen zicht hebben op het digitale gedrag van leerlingen.

Onderzoek naar gedrag, niet naar berichten

De proefprojecten moeten onderzoekers helpen om patronen in kaart te brengen. Het gaat niet om meelezen met berichten, benadrukt De Marez, maar om te zien hoe vaak leerlingen schakelen tussen apps, hoe lang ze hun aandacht vasthouden en hoe ze omgaan met meldingen.

Dat is nodig, zegt hij, omdat jongeren vaak zelf niet beseffen hoeveel tijd ze verliezen. Eén minuut gericht gebruik kan volgens hem snel uitmonden in tientallen minuten afleiding. Ook digitale treintjes, zoals doorklikken naar TikTok, Zalando of WhatsApp na een korte taak, spelen daarin een rol.

Daarnaast krijgen jongeren vaak honderden meldingen per dag. Vooral Snapchat vraagt veel aandacht. Demir en De Marez willen leerlingen bewuster te leren omgaan met schermgebruik, zodat ze leren focussen en hun gedrag beter reguleren.

lees ook

VRT lanceert nieuwe EDUbox om leerlingen bewuster te leren omgaan met schermgebruik

Vlaanderen scherpt digitale competenties in onderwijsdoelen aan

De Vlaamse onderwijsdoelen leggen digitale competenties explicieter vast voor basis- en secundair onderwijs. Scholen moeten die doelen vanaf de jongste leerjaren verwerken, met aandacht voor computationeel denken, digitale informatievaardigheid, mediawijsheid en digitale creatie.

De vernieuwing past in het Digiplan 2025-2029, dat scholen moet helpen leerlingen klaar te maken voor een digitale samenleving. De overheid wil dat leerlingen niet alleen digitaal kunnen werken, maar ook kritisch, veilig en doelgericht omgaan met technologie.

De nieuwe doelen maken duidelijk dat digitale competenties meer zijn dan klikken of typen. Scholen krijgen ruimte om zelf te bepalen hoe ze de doelen in lessen en projecten verwerken, zolang ze de minimumverwachtingen maar aan bod laten komen.

Nieuwe minimumdoelen in het lager onderwijs

Sinds 1 september 2025 gelden nieuwe minimumdoelen voor het kleuteronderwijs, het vierde leerjaar en het zesde leerjaar. Scholen mogen er al vrijwillig mee starten, maar de invoering wordt pas vanaf 1 september 2026 stap voor stap verplicht. In het vierde jaar leren leerlingen onder meer begrippen als hardware, software, online en offline gebruiken. In het zesde jaar gaat dat verder naar digitale informatieverwerking, netwerken en opslag.

Ook computationeel denken krijgt een duidelijke plaats. Leerlingen bouwen in het vierde jaar lineaire algoritmes op, terwijl ze in het zesde jaar ook herhaling en keuze leren gebruiken. Daarnaast schuift digitale informatievaardigheid op van basisgebruik van apparaten en mappenstructuren naar doelgericht bestandsbeheer, zoekstrategieën en het beoordelen van digitale bronnen.

Van mediawijsheid tot AI

In mediawijsheid groeit de focus van online privacy en persoonlijke gegevens naar auteursrecht, portretrecht, online veiligheid en nepnieuws. Leerlingen moeten ook leren hoe digitale media hun leven beïnvloeden, bijvoorbeeld via reclame, schermtijd, pesten of cookies, en zo bewuster te leren omgaan met schermgebruik. In het zesde jaar komt digitale creatie erbij, met aandacht voor digitale communicatie via berichten, e-mail, chat of videogesprekken.

De overheid verwacht ook dat scholen inspelen op nieuwe thema’s zoals artificiële intelligentie, data-ethiek en cybersecurity. Vlaamse leerlingen hebben volgens recente peilingen van MICTIVO 4 en ICILS al een stevige basis in algemene computercompetenties, maar hun communicatieve digitale vaardigheden kunnen nog groeien. Voor scholen ligt daar dus ruimte om te oefenen, verdiepen en evalueren.

lees ook

Van Digisprong naar Digiplan: onderwijssector zit met veel vraagtekens

Nieuwe Europese leeftijdslabels voor games vanaf 2026

Vanaf juni 2026 veranderen de Europese leeftijdslabels voor videogames. Niet alleen de inhoud van een game telt dan mee, maar ook systemen zoals loot boxes, battle passes en online interactie. Daardoor kunnen games sneller een 16+ of zelfs 18+ label krijgen.

De nieuwe regels moeten beter aansluiten bij hoe videogames vandaag werken. Leeftijdslabels zoals PEGI keken tot nu toe vooral naar geweld, taalgebruik of angst. Voortaan wegen ook de manier waarop een game spelers probeert te laten terugkeren en betalen mee in de beoordeling.

Verdienmodellen tellen voortaan mee

Games met betaalde kanssystemen, zoals loot boxes of kaartpacks waarbij spelers niet weten wat ze krijgen, krijgen voortaan minstens een 16+ label. Ook andere systemen die spelers actief blijven prikkelen, zoals tijdelijke beloningen, battle passes en dagelijkse inlogvoordelen, kunnen een hogere leeftijdsgrens opleveren.

Daarnaast krijgt online interactie meer gewicht. Games waarin spelers vrij met elkaar kunnen communiceren zonder duidelijke moderatie, kunnen hoger worden ingeschaald. Ook systemen rond gokken of verhandelbare digitale items worden strenger beoordeeld, met in sommige gevallen een 18+ label.

Waarom de regels veranderen

De videogame-industrie is sterk geëvolueerd en bouwt vandaag vaak op verdienmodellen die spelers langer aan een spel moeten binden. Snelle aankopen, willekeurige beloningen en tijdelijke voordelen spelen in op gedrag en motivatie, en kunnen spelers stimuleren om terug te keren en opnieuw te betalen.

Volgens de nieuwe regels hebben die mechanismen ook een impact, zeker bij jongeren. De Europese labels proberen daarom niet langer alleen de zichtbare inhoud van een game te beoordelen, maar ook de manier waarop die game is ontworpen.

Wat ouders en scholen ermee kunnen doen

Leeftijdslabels blijven een nuttig houvast, maar ze vormen geen sluitend systeem. Een hogere leeftijdsgrens zegt dus niet alleen iets over geweld of taal, maar ook over de manier waarop een game aandacht vasthoudt of betalingen uitlokt.

AI zorgt voor ingrijpende veranderingen in huiswerk en evaluatie in het onderwijs

Door de opkomst van artificiële intelligentie passen leerkrachten hun aanpak rond huiswerk aan, met minder of andere opdrachten. Experts benadrukken dat het leerproces belangrijker wordt dan het eindproduct, terwijl scholen zoeken naar manieren om AI verantwoord te integreren.

De inzet van AI in het onderwijs zet traditionele huiswerkvormen onder druk. Leerkrachten merken dat het moeilijk is om na te gaan in hoeverre leerlingen hulp krijgen van AI-toepassingen zoals AI-toepassingen zoals ChatGPT bij het maken van opdrachten thuis. Dit leidt tot aanpassingen in de manier waarop huiswerk wordt gegeven en geëvalueerd.

Vooral beginnende leerkrachten kiezen vaker voor minder of geen huiswerk, of verschuiven naar opdrachten die niet via AI kunnen worden opgelost. Er zijn ook initiatieven om richtlijnen te ontwikkelen voor het verantwoord gebruik van AI door leerlingen, maar controle blijft lastig.

Huiswerk verandert door AI

Leerkrachten melden dat ze minder vaak huiswerk meegeven of dat het type opdrachten verandert. Schrijfopdrachten worden bijvoorbeeld niet meer thuis gemaakt, omdat het onmogelijk is om te controleren of leerlingen daarbij AI gebruiken. In de klas wordt meer ingezet op pen-en-papierwerk om het leerproces beter te ondersteunen.

Daarnaast worden in de les vaker testjes afgenomen om te peilen of leerlingen de leerstof echt begrijpen. Sommige leerkrachten vragen na het maken van oefeningen ook naar de werkwijze om zeker te zijn dat de kennis op eigen kracht is opgedaan. Dit is vooral het geval bij jongere docenten en zij die nog maar enkele jaren voor de klas staan.

Evaluatie en AI-geletterdheid

Experts zoals Lut De Jaegher van de Arteveldehogeschool pleiten ervoor om niet alleen naar het eindproduct te kijken, maar vooral naar het leerproces. Ze benadrukt dat AI als hulpmiddel kan dienen bij het verbeteren van het leerproces wanneer het verstandig wordt ingezet. Zo kan AI helpen om een evaluatiecrisis bloot te leggen en meer inzicht te geven in hoe leerlingen leren.

lees ook

Zes op tien Belgen gebruikten in 2025 een AI-chatbot, voornamelijk in onderwijs

Digitale maturiteit van scholen vraagt zelfinzicht en samenwerking over alle lagen

Wie vandaag met schoolbesturen en educatieprofessionals spreekt, hoort vaak hetzelfde dilemma. Er wordt van scholen verwacht dat ze hun digitale transformatie versnellen. Echter, de dagen zitten vol, de verwachtingen ten aanzien van lesstof nemen toe en er is steeds minder ruimte en tijd voor extra projecten.

Met de komst van het Digiplan is die ambitie in Vlaanderen nog een stuk concreter geworden. Het plan biedt houvast en richting, maar legt tegelijk ook bloot hoe complex de opdracht eigenlijk is. Want digitalisering gaat niet over één beslissing of één investering. Het raakt aan de manier waarop een school als geheel functioneert en haar ICT-beleid heeft neergezet. Met als doelstelling het versterken van de pedagogie, zonder digitale disruptie.

Zelfinzicht en samenhang

Allereerst is het belangrijk om te onderkennen dat er al heel veel door scholen wordt gedaan. Van ICT-beleidsplannen, extra opleidingen voor leerkrachten, investeringen in IT-infrastructuur en digitale leermiddelen. Toch lopen scholen nog vaak tegen de grenzen aan bij het verder adopteren en implementeren van technologie. In mijn ogen zijn de belangrijkste elementen een beter zelfinzicht en samenhang.

Als het vastloopt, komt dat vaak doordat er tegelijk wordt ingezet op digitale leermiddelen, administratieplatformen en nieuwe didactiek, zonder dat altijd helder is wat eerst komt en wat kan wachten. Daar waar ambities niet alleen van bovenaf worden opgelegd, maar juist gezamenlijk worden geformuleerd ontstaat realisme en draagvlak. Bijvoorbeeld het tijdig en op het juiste niveau betrekken van de ICT-coordinatoren en tevens vroegtijdige afstemming met het onderwijzend personeel. Zo kan per organisatielaag worden afgestemd wat de uitkomsten zouden moeten zijn.

Want hoe ver is digitalisering daadwerkelijk doorgedrongen in de lessen? Krijgen leraren de middelen om het beleid van het bestuur uit te voeren? Komen de projecten bovenop de dagelijkse vraagstukken rond AI, schermtijd en digitale ongelijkheid, of helpen ze juist bij het aanpakken ervan?

SELFIE en Digital Schools Awards

Het Digiplan vraagt scholen om digitalisering een echt onderdeel te maken in hun beleid, didactiek en professionalisering. Dat klinkt als een extra opdracht, maar in de praktijk overlapt dit sterk met wat veel scholen al doen. Veel scholen gebruiken voor een goede analyse al de Europese SELFIE-tool, waarin de inzichten en input van schoolbestuur, leraren, leerlingen en andere betrokkenen bij elkaar worden gebracht. Het laat zowel de sterke als kritische elementen zien. En het voorkomt dat er te veel wordt ingezet op overhaaste korte termijn ‘fixes’. Het geeft de IT-afdeling bovendien een goed uitgangspunt om een realistisch perspectief te geven bij ad-hoc vragen en spoedverzoeken en de juiste vervolgstappen af te stemmen.

Daarnaast is er een programma dat diverse scholen al hebben ingezet: de Digital Schools Awards. Een aanvullend praktisch kader om de digitale groei te analyseren en te ontwikkelen, dat nauw aansluit op de bouwstenen van het Digiplan. Scholen die dit traject doorlopen kunnen efficiënt belangrijke stappen voorwaarts zetten, en krijgen daarnaast de Europese Digital School-erkenning. Het doel is niet om zoveel mogelijk tegelijkertijd te doen, maar de juiste dingen in de juiste samenhang te doen.

Digitale maturiteit ontstaat niet door zoveel mogelijk programma’s af te vinken, maar leiderschap dat richting geeft, de pedagogie centraal stelt en het tempo bewaakt op wat in de diverse lagen van de organisatie uitvoerbaar is. Dat maakt digitalisering geen extra last, maar een duurzame versterking van het onderwijs. Vandaag, morgen en de jaren die volgen.

lees ook

Van Digisprong naar Digiplan: onderwijssector zit met veel vraagtekens


Dit is een ingezonden bijdrage van Koen Van Beneden, Senior Vice President en Managing Director van HP Nordics-Benelux.

VEX-robots: praktische robotica in de klas 

Wat vroeger voor veel leerlingen een droom was, gebeurt vandaag gewoon in de klas: leren programmeren met robots. VEX is daar een schoolvoorbeeld van. 

Educatieve robotica wordt steeds vaker ingezet in het onderwijs om programmeerconcepten concreter te maken. Robotsystemen zoals VEX bieden een manier om programmeerlogica te koppelen aan fysieke interactie. Leerlingen schrijven instructies en zien meteen hoe die zich vertalen in beweging of gedrag van een robot. 

Programmeerlogica zichtbaar maken 

Een belangrijke meerwaarde van educatieve robots is dat ze abstracte programmeerprincipes zichtbaar maken. Begrippen zoals volgorde, herhaling en voorwaarden worden duidelijker wanneer leerlingen het effect ervan meteen kunnen zien. 

Volgens Jurgen Moons, leerkracht STEM aan Middenschool Bree, stimuleert die concrete aanpak leerlingen om zelfstandig te experimenteren. Wanneer ze met de robot werken, ontstaan er vaak spontaan nieuwe opdrachten en uitdagingen. “Dan kunnen ze voor zichzelf en voor elkaar de uitdagingen verzinnen,” vertelt hij over de manier waarop leerlingen met de robots aan de slag gaan.  

Dat experimentele karakter sluit goed aan bij de principes van STEM-onderwijs, waar probleemoplossend denken en iteratief testen centraal staan. 

Programmeren met blokjes 

De programmeeromgeving van VEX werkt met visuele blokjes die je kan verslepen. In plaats van zelf code te schrijven, bouwen leerlingen programma’s door blokken met instructies te combineren. Die aanpak is vergelijkbaar met platforms zoals Scratch en zorgt er voor dat er veel meer leerlingen er zonder een te grote leercurve aan kunnen beginnen. 

Leerlingen die al ervaring hebben met dergelijke systemen herkennen de structuur meestal snel. “Het mooie is dat de online programmeeromgeving met die blokjes werkt. Dat herkennen ze wel van Scratch en van andere dingen,” zegt Moons. Omdat de software via een browser werkt, is er weinig technische installatie nodig. In veel gevallen is een laptop of Chromebook genoeg om een programma te schrijven en via Bluetooth naar de robot te sturen. 

Toch betekent die makkelijkere programmeeromgeving niet dat leerlingen alle concepten meteen snappen en kunnen gebruiken. Net zoals bij andere programmeeromgevingen blijft begeleiding nodig om de logica achter de instructies goed te begrijpen. 

Programmeren is belangrijker dan bouwen 

Een verschil met sommige andere educatieve robotsystemen is dat VEX-robots vaak kant-en-klaar worden gebruikt. Daardoor kunnen leerlingen sneller beginnen programmeren zonder eerst een mechanische constructie te bouwen. 

Dat kan didactische voordelen hebben. Wanneer een robot eerst moet worden opgebouwd, verschuift de aandacht soms naar het bouwproces. Volgens Moons gebeurt dat bijvoorbeeld bij sommige bouwkits: “Leerlingen willen meteen beginnen bouwen. Maar als de uitdaging niet lukt, denken ze dat het aan de constructie ligt.” Een vooraf gebouwde robot kan die focus verleggen naar het programmeren zelf.  

Abstract leren denken 

Voor sommige leerlingen kan robotica helpen om programmeerlogica beter te begrijpen. Dat gebeurt vooral als abstracte concepten moeilijk te visualiseren zijn. Dan kan een robot hiervoor een concrete start geven. 

Torben Vandevelde testte VEX-robots in een OKAN-klas, waar leerlingen vaak anderstalig zijn en uit verschillende richtingen komen. Hij merkt dat fysieke interactie daar een verschil kan maken. “Die robot helpt echt om dat te visualiseren en hun werk tastbaarder te maken. Je merkt wel dat dat enthousiasme opwekt.”  

Voor leerlingen die minder ervaring hebben met digitale technologie kan een visueel en tastbaar systeem helpen om programmeerlogica stap voor stap te begrijpen. 

Context en opdrachten 

Hoe robots in de klas worden gebruikt, hangt wel af van de opdrachten die leerkrachten ontwerpen. Vaak worden programmeeropdrachten gekoppeld aan concrete scenario’s om de motivatie te verhogen. 

In sommige lessen worden bijvoorbeeld eenvoudige parcoursen gebouwd waarin een robot obstakels moet ontwijken of een doel moet bereiken. Vandevelde gebruikte een voetbalscenario voor een van zijn opdrachten. “Ze moesten proberen programmeren dat de robot tussen die kegels kon rijden en dan een bal in een doel schieten dat ik gemaakt had,” legt hij uit.  

Van blokken naar code 

De blokjes zijn uiteraard bedoeld voor beginners. In een later stadium kunnen de leerlingen overschakelen naar tekstgebaseerde programmeertalen. Dat maakt het mogelijk om dezelfde hardware in verschillende onderwijsniveaus te gebruiken. 

Volgens Vandevelde kan de code bijvoorbeeld later in een programmeertaal zoals Python worden bekeken of aangepast. “Je kunt beginnen op een lager niveau met die visualisatie met blokken, en later kun je dat omzetten naar Python,” merkt hij op.  

Dat soort schaalbaarheid kan voor scholen interessant zijn, omdat één platform in meerdere leerjaren kan worden ingezet. 

Praktische beperkingen 

Naast didactische voordelen zijn er ook praktische factoren die bepalen hoe robotica in de klas wordt gebruikt. Budgetten spelen daarbij vaak een belangrijke rol. Robotsystemen vragen een flinke investering en voor groepswerk zijn meestal meerdere sets nodig. 

Vandevelde wijst erop dat één robot vooral geschikt is als introductie, terwijl er voor groepjes leerlingen meerdere toestellen nodig zijn. “Het is natuurlijk een investering,” zegt hij. “En eigenlijk zou het ook wel leuk zijn als je er minimum twee hebt.”  

Daarnaast zijn er ook praktische vragen rond duurzaamheid en onderhoud. Robots worden vaak door verschillende klassen gebruikt, waardoor robuustheid en levensduur belangrijke factoren zijn voor scholen. 

Tevreden leerlingen 

De leerlingen die met de VEX-robots aan de slag mogen, waren erg enthousiast. Het feit ieder kind, op welk niveau dan ook, op hun manier met VEX aan de slag kan gaan is een groot voordeel. De robots maken programmeren toegankelijker en leuker, vooral omdat leerlingen hun code meteen in een fysieke toepassing kunnen testen.