Van Digisprong naar Digiplan: onderwijssector zit met veel vraagtekens

- Schoolit redactie

Tijdens het grote ICT-debat op onderwijsbeurs Sett in Mechelen werd met bloemetjes gegooid naar Digisprong. Voor opvolger Digiplan is de onderwijstop hoopvol, maar blijft ze voorlopig met veel vraagtekens achter.

ICT is een centraal thema op SETT 2026. Het openingsdebat werd er volledig aan gewijd en met Hamid Riffi (voorzitter van het Kenniscentrum Digisprong), Bruno Vanobbergen (directeur-generaal Katholiek Onderwijs Vlaanderen), Koen Pelleriaux (afgevaardigd bestuurder GO!), Walentina Cools (directeur OVSG) en Stephanie De Clercq (voorzitter VICLI) was het deelnemersveld op z’n zachtst gezegd beleidsbepalend.

Riffi, hoofd van het Kenniscentrum Digisprong, begon met de overgang naar het nieuwe Digiplan nog eens te kaderen: “Digisprong zag het licht in volle pandemie, toen we van de ene dag op de andere volledig digitaal moesten werken. Scholen die hier al over hadden nagedacht, hebben deze periode redelijk goed doorstaan, maar voor vele anderen was het een periode van zwemmen of verdrinken. Met dit initiatief zetten we een reuzestap van digitale achterstand naar modernisering. Met Digiplan willen we die groei bestendigen en vooruitkijken.”

5 pijlers, evenveel zorgen

Als onderdeel van het Digiplan moeten scholen tegen september van dit jaar een beleidsplan klaar hebben waarin ze duidelijk stellen waar ze vandaag staan en waar ze op moeten inzetten – en hoe ze dat zullen doen. In september ’25 lanceerde het Kenniscentrum met Pictos een digitale tool die daarbij kan helpen, maar uit het debat blijkt duidelijk dat het probleem voor het onderwijs niet ligt bij inhoud of de tools die ze krijgen aangereikt.

Pelleriaux, bestuurder van het GO!, verwoordde het zo: “Uit een bevraging bij onze scholen blijkt dat zowat alle besturen al een plan hebben of eraan werken. De termijn is haalbaar en inhoudelijk is iedereen mee. De vele vragen die we krijgen, richten zich echter op de houdbaarheid: hoe lang zal dit beleidsplan geldig zijn? Drie maanden, drie jaar,…? We missen vooral nog duidelijkheid over de modaliteiten.”

Riffi reageerde door te zeggen dat het altijd een work in progress zal zijn: “zoals de wereld continu verandert, zullen scholen regelmatig hun plan moeten bijschaven.” Een antwoord waar De Clercq, voorzitster van VICLI, enige moeite mee had: “De ICT-coördinatoren waren blij met de Digisprong, want leerkrachten waren echt bereid om te luisteren en mee te denken, ook al zorgde het voor heel wat overuren. Met het Digiplan lijken die overuren niet te verdwijnen en komen er nog meer verantwoordelijkheden bij de coördinatoren te liggen.”

“De tools van het Kenniscentrum zijn kwalitatief,” vervolgt ze, “maar er moeten ook mensen zijn om ze te doorlopen. Professionalisering, een van de pijlers uit het Digiplan, vraagt tijd maar er wordt langs alle kanten geknabbeld aan die tijd. De pedagogische studiedagen verdwijnen, maar wanneer is er dan tijd voor leerkrachten en coördinatoren om te werken rond de vereisten van het beleidsplan? De helft van de beleidsagenda’s is gevuld met punten over IT, maar als we ergens gaan spreken krijgen we hooguit een halfuurtje de tijd. Er zijn meer middelen nodig.”

AI maakt het niet gemakkelijker

Over de mogelijkheden van AI is iedereen positief, al zien ze dat die eveneens uitdagingen met zich meebrengen. Cools, directeur van het OVSG: “De mogelijkheden voor differentiatie zijn geweldig. Overal waar we komen horen we dat leerkrachten moeite hebben met almaar meer heterogene klassen en AI kan hen de oplossing aanbieden. Tegelijk moeten we blijven waken over de privacy- en security-implicaties. Leerlingen én leerkrachten hebben nog steeds nood aan bewustwording.”

Vanobbergen, topman van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, treedt haar daarin bij, maar ziet kansen voor lerende netwerken. “Te vaak denken scholen nog steeds dat ze alles alleen moeten oplossen,” merkt hij. Door kennis en expertise over scholen heen met elkaar in verbinding te brengen, gelooft hij dat ook professionalisering een betere kans krijgt. Maar ook hij maakt zich zorgen over de beschikbare middelen: “We moeten op korte tijd de nieuwe leerdoelen implementeren in het basisonderwijs en ook daar zijn middelen en mensen voor nodig.”

Riffi ziet dan weer mogelijkheden bij een verdere verdeling van verantwoordelijkheden. “Het kan niet meer de bedoeling zijn dat we werken met ICT-coördinatoren die allemaal dezelfde skills hebben. Vandaag moet één persoon waken over licenties en ervoor zorgen dat alle kabeltjes in de klassen werken. Terwijl daar eveneens leerkrachten voor kunnen worden ingezet. Iedereen heeft zijn rol te spelen in een breder ICT-team. Zeker nu er nog meer zal worden ingezet op privacy en cybersecurity.”

Voor Pelleriaux ligt daar ook een verantwoordelijkheid voor IT-leveranciers: “Het wordt tijd dat ze eens echt werk maken van een standaardisering van hun platformen. Zolang die niet interoperabel worden, maak je het moeilijk voor leerkrachten om zich digitaal te wíllen professionaliseren.”

Nood aan rust

Afsluitend aan het debat werd alle deelnemers gevraagd waaraan zij minister Zuhal Demir de komende maanden graag zien werken. Voor Vanobbergen en Pelleriaux was het antwoord “duidelijkheid en stabiliteit”, voor De Clercq is dat een opwaardering van het statuut van de ICT-coördinator. De treffendste quote was evenwel weggelegd voor Cools: “Ik hoop dat minister Demir een soort beleidsmatig sabbatjaar aankondigt, zodat alle scholen rustig kunnen uitrollen waaraan ze al zo lang aan het werken zijn. Nu hebben we nood aan tijd en ruimte om de impact van alle genomen maatregelen te bestuderen.”