Virtuele leslokalen: leren ze eigenlijk wel iets?

- Jeroen Langendam - 15 min

Nu de leslokalen leeg zijn, zitten we vaker in virtuele leslokalen.

Vanwege de Corona-crisis zijn virtuele leslokalen met een opmars bezig. Afstandsleren en virtueel onderwijs, dat is nu de norm. De nadruk ligt op de continuïteit van het onderwijs geven. Maar hoe zit het met de ontvangers van dat onderwijs? Leren ze ook echt iets? En hoe moet je als leerkracht omgaan met deze nieuwe (tijdelijke?) werkelijkheid?

Toen ik ooit begon in het onderwijs, dacht ik dat je als docent maar één ding hoeft te doen: zorg dat je de stof kent, elk uitkomst van elk sommetje kent (inclusief de bijbehorende denkfouten) en dat je op elk mogelijk scenario een antwoord hebt. Die gedachte hield voor de klas nog geen week stand.

Onderwijs geven is voor een groot deel theater. De tekst die je moet oplepelen is één ding, maar de echte uitdaging is om je publiek te bereiken. De aandacht grijpen én vasthouden. Pas als je de aandacht hebt, kun je de leerling of student veranderen van een passief toeschouwer tot een actieve deelnemer in zijn eigen leerproces. Je moet het vertrouwen winnen, van de individuele leerling én van de groep, zodat ze bereid zijn om met je mee op reis te gaan op zoek naar nieuwe kennis. Lesgeven betekent continu opletten hoe de groep erbij zit. Begrijpen ze je boodschap, of is het tijd voor een nieuwe invalshoek?

Chris Lee, docent aan de Fontys Hogeschool, maakte voor COVID-19 al gebruik van digitale tools. Zijn oordeel is duidelijk: “virtuele lessen zijn maar een schamel alternatief voor echte persoonlijke begeleiding en instructie”. Zijn vrouw, docente Engels op een middelbare school, is het met hem eens: “Afstandsleren is bah, en niet de toekomst van het onderwijs”.

Lee zette zijn gedachten op een rijtje en deelt deze met het onderwijsveld.

‘Anonimiteit’ in de groep versus online anonimiteit

Het is, althans voor leerlingen en studenten, een goed bewaard geheim dat de leerkracht altijd (bijna) alles in de gaten houdt. Ook in grote groepen. Elke leerkracht die ooit voor een groep van meer dan 100 mensen heeft gestaan herkent het: die leerling of student achterin, die denkt dat hij onzichtbaar is. Na vijf minuten zakt hij onderuit en gaat hij misschien andere dingen doen. Hij of zij dénkt dat we het niet zien, maar voor een goed docent is dit een signaal. Lee: “Lesgeven is een intieme activiteit (…) het maakt niet uit hoe groot de klas is. Lesgeven is persoonlijk.”

Ze beseffen het niet, maar deze studentes zijn heel actief aan het communiceren met hun docent.

Ook Lee ziet onderwijs als een vorm van “optreden”. Hij is dan ook wars van alles wat tussen docent en leerling komt. ICT-toepassingen zoals virtuele leslokalen kunnen technisch een connectie tot stand brengen, maar de emotionele connectie heeft te leiden onder alles dat tussen de leraar en de leerling in staat. Technologie zou naast de leerkracht moeten staan, niet tussen leerkracht en leerling: “Technologie, zelfs het ouderwetse whiteboard, moet de beperkingen opheffen die elk mens heeft. Dat maakt technologie de moeite waard.”

Maar: “Videoverbindingen, virtuele whiteboards en al dat andere maken een echte verbinding onmogelijk. Helemaal als het zo op stel en sprong wordt ingevoerd. Stel je de chaos voor.”

Moeilijke techniek

Een ontmoeting via videoverbinding is voor veel mensen inderdaad erg lastig. Zelfs als de organisator van de videobijeenkomst weet hoe alles werkt is er altijd wel (minstens één) iemand die moeite heeft met de verbinding. Daarover kan ik meepraten, een meeting van 40 minuten via Zoom liep gisteren uit tot een sessie van ruim anderhalf uur, omdat één van de deelnemers vragen bleef stellen over de technologie, waardoor de inhoud steeds meer naar de achtergrond werd verbannen. Naarmate mensen vertrouwd raken met de online tools, zal dat echter minder worden.

In het onderwijs heb je echter elke keer opnieuw te maken met een nieuwe groep mensen voor wie de technologie geheel nieuw is. Als afstandsonderwijs inderdaad de toekomst van het onderwijs zou zijn, zoals sommigen beweren, dan betekent dat nogal wat voor het curriculum: we zullen jonge mensen namelijk ook moeten leren werken met de tools die nodig zijn om virtuele klaslokalen te laten werken.

Gedoe met rechten

Lee brengt nog een voorbeeld van de chaos van virtuele leslokalen wanneer hij vertelt over de lessen die zijn dochter via Google Meets moet krijgen: “De rechten zijn nooit goed ingesteld. Ik weet niet eens of Google die flexibiliteit wel heeft. Kinderen kunnen hun leraar voor iedereen muten, zonder dat de docent het doorheeft. Ze kunnen hun eigen nicknames kiezen, met voor de handliggende uitkomsten. Ze kunnen elkaar uit de Google Class schoppen… kortom: het beheersen van de klassendynamiek brengt een hele zwik aan verschillende (nieuwe) problemen met zich mee. Dat vergt andere vaardigheden en –heel belangrijk- zorgvuldige planning.

Te weinig feedback in een virtueel leslokaal

Ook wanneer de leerlingen allemaal netjes doen wat je van ze vraagt, zonder dat er iemand zit te klieren, hebben leerkrachten te maken met een enorm grote uitdaging. Normaal zie je aan een leerling of de stof begrepen wordt. Dat zit hem in kleine dingen, non-verbale uitingen. In mijn ervaring zeggen vooral de ogen heel veel. Zodra de ogen glazig beginnen te worden, is het tijd om een andere aanpak te proberen. Die non-verbale feedback komt via een videoverbinding helaas vaak niet over. Kleine schermpjes bieden simpelweg niet de ruimte voor dergelijke subtiele signalen.

Hierdoor moet je het als leerkracht stellen zonder je belangrijkste voelsprieten. Je vliegt min of meer blind door je lesstof heen, zonder te weten of leerlingen mentaal “uitgecheckt” zijn. Trouwens, ook de vraag of een leerling “fysiek” nog aanwezig is, is niet altijd even duidelijk te beantwoorden.

De stille leerlingen zijn onzichtbaar

Het tekort aan feedback wordt een nog groter probleem wanneer het gaat om de stille, teruggetrokken leerling. Misschien is hij of zij verlegen, of onzeker. De leerling die in de klas nooit zijn of haar hand durft op te steken en geen vragen durft te stellen dreigt in een virtueel leslokaal van de radar te verdwijnen. Normaal zie je deze leerling zitten en kun je hem of haar actief benaderen, net zolang tot ze het zelfvertrouwen krijgen om wél vragen te durven stellen. Dit stukje begeleiding is met virtuele leslokalen onmogelijk.

Lessen van gamers

Er is één subcultuur waar online meetings al meer dan een decennium de norm zijn: gamers. In 2005 gebruikten ze chatprogramma’s zoals mIRC https://www.mirc.com/, tegenwoordig zijn Skype, Discord en vergelijkbare tools het populairst.

Hoe organiseer je een goede raid in World of Warcraft (bij voorkeur zonder Leeroy Jenkins), zorg je dat jouw team de Call of Duty-Deathmatch wint? En hoe zet je de lijnen uit voor je Fortnite-strategie? Met duidelijke regels en communicatieprotocollen.

In de gaming-wereld is het niet ongebruikelijk dat er een bepaalde hiërarchie tussen de spelers ontstaat die is gebaseerd op kennis en inzet, en niet op macht. Bij de succesvolle gamers zorgen deze leiders voor duidelijke regels rondom de communicatie: wanneer mag je vrij praten en wanneer mogen alleen bepaalde mensen iets zeggen?

Leeroy Jenkins: zelfs met de beste communicatie protocollen zit er altijd wel eentje tussen die gaat klieren.

Er zijn afspraken over bepaalde afkortingen, om tijd te winnen en er zijn waarborgen om communicatie-ruis zoveel mogelijk uit te bannen. En er wordt ook actief gezocht naar interactie met de meer introverte spelers. Het onderwijs kan hiervan leren.

Chris Lee, nogmaals, verwijst naar zijn vrouw die op school gebruik maakt van Microsoft Teams. Zij heeft duidelijke gedragsregels ingesteld, omdat de lessen anders simpelweg niet werken:

  • Alle microfoons staan op mute, tenzij de docent je een vraag stelt
  • Camera’s staan veelal uit (in verband met bandbreedte beperkingen)
  • Vragen? Die post je in de chatfunctie

Maar het blijft niet bij de gedragsregels: “Ze stelt de digitale rechten voorafgaand aan elke meeting in, zodat de kans op verstoring minimaal is”, vertelt Lee.

Camera aan, of uit?

Sommige scholen adviseren docenten om hun camera niet in te schakelen. Leerlingen zijn technisch vaak vergevorderd en er is een kans dat een leerling de les opneemt en de beelden gebruikt om een “grappig” (vaak kwetsend) filmpje te maken. Deze angst is begrijpelijk. Je zult zeker niet de eerste docent zijn die niet al te flatteus op YouTube verschijnt.

De vraag is echter of je de angst de doorslag moet laten geven. Want als je jezelf niet durft te laten zien, hoe kun je dan verwachten dat er vertrouwen ontstaat? Zonder video wordt het nóg moeilijker om die persoonlijke verbinding aan te gaan. En echt, de meeste studenten of leerlingen waarderen het niet alleen, ze zijn ook van goede wil. Lee: “De leerlingen waarderen zelfs die schamele emotionele verbinding.”

Technische voordeeltjes van virtuele leslokalen

Natuurlijk is niet alles kommer en kwel. Steeds meer leerkrachten ontdekken dat er digitale hulpmiddelen zijn die hun leven een stuk makkelijker maken.  Zoals OneNote(dat in Microsoft Classrooms is geïntegreerd).

OneNote biedt de mogelijkheid om een gemeenschappelijk klassenboek te maken. In het alleen-lezen deel kun je alle lesmateriaal plaatsen, terwijl leerlingen in een gemeenschappelijke ruimte samen aan opdrachten kunnen werken. Daarnaast is er een notebook voor elke individuele leerling. Volgens Lee levert dit meer interactie op: “(Mijn vrouw) merkt dat leerlingen sneller met hun werk beginnen dan in een normaal klaslokaal. Sterker nog, ze is er zo tevreden mee, dat ze eraan zit te denken om Teams op te zetten voor haar klassen.”

Stapje voor stapje

De revolutionaire gedwongen overstap naar virtuele leslokalen en afstandsonderwijs levert onderwijsprofessionals dus wel degelijk voordelen op. Maar het is een tijd van uitproberen en experimenteren.

Experimenteren moet. Maar aangezien we werken met de ontwikkeling van jonge mensen, moeten we dat voorzichtig en weloverwogen doen. Je moet goed nadenken over wat je nodig hebt om je lessen te kunnen geven en daar de juiste tools bij zoeken. En zelfs als de specificaties lijken overeen te komen met wat je nodig hebt, zul je enkele uren hands-on ervaring moeten opdoen alvorens je kunt besluiten of een app of tool ook echt werkt.

Leren omgaan met digitale onderwijstools is als leren lopen: stapje voor stapje kom je verder.

Het lesgeven via virtuele leslokalen is een geheel nieuwe wereld voor zowel leerkrachten als voor leerlingen. Door COVID-19 zitten de ontwikkelingen in een snelkookpan. Aan onderwijsprofessionals de taak, en de uitdaging, ervoor te zorgen dat we de goede dingen behouden voor de toekomst, lessen trekken uit mislukte experimenten én zorgen dat we onderweg geen leerlingen kwijtraken.

Zorg goed voor jezelf

We zeggen het dezer dagen vaak: maar zorg goed voor jezelf. Vooral jij, leerkracht, die elke dag met zoveel energie voor de klas staat. Jij, die alles geeft om jonge mensen de kans te geven zichzelf te ontplooien. Zorg goed voor jezelf.

Niet alleen wat betreft corona en het risico van besmetting, maar let ook op wat het lesgeven in virtuele leslokalen met je energiebalans doet. Voor veel, misschien de meeste, leerkrachten betekent virtueel lesgeven dat je net datgene mist wat je werk leuk maakt, de reden dat je van je vak houdt: de interactie met de leerling.

Als leraar geef je veel energie, maar daar krijg je iets voor terug. Je krijgt energie van de leerlingen, van hun feedback. Je geniet van de momenten dat je het kwartje ziet vallen en worstelt samen met hen om drempels te overwinnen. Maar in virtuele leslokalen mis je die feedback. Hoeveel je ook geeft, er komt geen energie terug. Dat is niet de schuld van de leerling, maar een gevolg van de techniek.

Lesgeven in virtuele leslokalen kost energie. Het kan eenzaam voelen. Zorg daarom goed voor jezelf. Zoek de ontspanning op. De enige manier waarop je jouw leerlingen door deze crisis kunt slepen is door eerst voor jezelf te zorgen.

Deze blog is (mede) geïnspireerd door een post van Chris Lee op Ars Technica